Lijf & Wijsheid

De rivier

(Jekkers en Koos Meinderts)

Er was eens een grote brede rivier,
Die dacht: waarom stroom ik toch altijd maar hier?
Altijd datzelfde saaie dal,
Dat wist ie nou wel, dat kende ie al.
Kijk, dat ie een rivier was, dat vond ie niet erg,
Maar hij wou zo graag naar de andere kant van de berg.
De andere kant, zo had hij gehoord,
Was warmer en groener, een schitterend oord.
Hij werd gek van zijn waar hij altijd maar was,
Hij verlangde naar het andere, groenere gras.
Hij vroeg aan een klipgeit, een vriendelijk beest,
‘Zeg die andere kant, geit, daar ben jij toch geweest?
Dus jij kan het weten, zeg me eens gauw,
Over zo’n berg heen, hoe flik je dat nou?”
“Klimmen,” zei de klipgeit, “Kijk, je begint onderaan,
Je klimt en je klimt, je blijft af en toe staan,
Nou, dan klim je weer verder, omhoog langs de wand,
En over de top ligt de andere kant.”
De geit werd bedankt, de rivier wist genoeg,
Hij had nog een fikse klim voor de boeg.
Hij nam eerst een aanloop, dat leek hem wel slim,
Hij borrelde, bruiste en brulde: “Ik klim!”
Hij trad uit zijn oevers, maar verder ook niet.
Hij bleef waar hij was, tot zijn grote verdriet.
En hij riep naar de klipgeit, hoog op de top:
“Ik vraag het een ander, ik geef het niet op!”
En hij vroeg aan een vogel: “Zeg vogel, jij komt daar vandaan,
Over zo’n berg heen; hoe pak jij dat nou aan?”
“Vliegen…” zei de vogel. “Kijk zo doe je dat.”
Hij spreidde zijn vleugels en wapperde wat.
De rivier zei: “Bedankt.” Hij zette zich schrap,
Hij golfde en kolkte en riep: “Wapperdewap!”
Hij steeg een klein eindje, hij dacht dat hij vloog,
Maar in feite kwam hij geen meter omhoog.
En de vogel intussen, vloog sierlijk over de top,
En de rivier riep woedend: “Wacht maar! Ik geef het niet op!”
Maar toen sprak de zon: “Rivier, jij maakt je te druk,
Zo bereik je toch nooit het ultieme geluk?
Doe nou eens rustig, stroom niet zo vlug.
Ga nou eens liggen, gewoon op je rug.
Heus, geloof me, let maar eens op,
Met helemaal niks doen kom jij over de top.”
De rivier dacht: ‘Niks doen, wat heeft dat voor nut?
Maar laat ik het maar doen, ik ben toch uitgeput.’
Hij volgde het advies van de zon,
En stroomde zo sloom en zo traag als hij kon.
Zijn water verdampte, zijn bedding viel droog,
Het was niet te geloven… Kijk nou, hij vloog!
De zon had gelijk, als wolk steeg hij op.
En de wind blies hem moeiteloos over de top.
En in regen viel de rivier weer neer op het land,
Precies waar hij zijn wilde; aan de andere kant.

Nou, dit was het dan weer, einde verhaal,
Oja, nog even de boodschap; hier komt de moraal:
‘Sloof je niet uit, vier lekker feest,
Doe lekker niks, dan bereik je het meest!’